GVB Proeftram Leidsestraat, Bilderdijkstraat, 2 oktober 1945
Foto: N.V. Arbeiderspers

Home > Tram > Electrische tram > Serie > Serie 14 (proefmodel Leidsestraat)

Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam - Proefmodel Leidsestraat

Motorrijtuig:
Proefmodel Leidsestraat
Type: Elektrisch Motorrijtuig
Bouwjaar: 1944
In Dienst: 1945 (uitsluitend in proefbedrijf)
Fabrikant wagenbak:
GVB-Centrale Werkplaats Tollensstraat, Amsterdam
Elektrische uitrusting:
Allgemeine Elektrizitäts Gesellschaft(AEG),
Berlin(Deutschland)
Aantal: 1 stuks
Uitvoering: eenrichtingtram
Motortype: AEG-motoren type USL 253a2
Motorvermogen: 2 x 46 pk (= 34 kW)
Lengte:
8840 mm (over bufferbalken)
Lengte:
8540 mm (zonder stootbalken)
Breedte:
2225 mm
Breedte neus/kont:
1240 mm
Hoogte bovenkant dak:
3265 mm
Zijramen bakboord:
7 grote en 2 kleine
Zijramen stuurboord:
3 grote en 2 kleine
Gewicht vooras:
ca. 5.650 kg
Gewicht achteras:
ca. 4.275 kg
Radstand:
3.200 mm
Totaal leeg gewicht:
ca. 9.925 kg
Passagiersindeling:
28-36

Van meet af aan heeft de drukke en smalle Leidsestraat de gemoederen binnen het trambedrijf beziggehouden. De wisselplaatsen op de bruggen moesten plaats bieden aan twee tramstellen om de dienst enigszins vlot te kunnen laten verlopen en dat betekende in de praktijk dat slechts korte eenheden konden worden ingezet. Vanouds waren dit op lijn 1 de bekende Unions met hun kleine, truckloze bijwagens(de zogenaamde "typewagens") en op lijn 2 sinds mei 1931 de "stoeltjeswagens" met de al wat langer op deze lijn dienstdoende "vogelkooitjes". De capaciteit van deze eenheden kon niet worden vergroot en de hoeveelheid in te zetten materieel was aan ruimtelijke beperkingen gehouden.
Het zoeken naar oplossingen voor het gaandeweg nijpender wordende capaciteitsprobleem, gevoegd bij het feit dat de Unions inmiddels op leeftijd begonnen te raken, leidde vanaf het begin van de jaren dertig tot een reeks van plannen, waarvan het merendeel het niet verder bracht dan de tekentafel of hoogstens het proefstadium.

In 1931 kwam Werkspoor, kennelijk op de hoogte van de Amsterdamse perikelen, op eigen beweging met een ontwerp van een 12 meter lange dubbeldekstram, gebaseerd op het model van de Londense Feltham-wagens. Het rijtuig was liefst 4750 mm hoog, maar aangezien de rijdraadhoogte in die jaren nog 7,5 meter bedroeg behoefde dat geen onoverkomelijke bezwaren op te leveren. De tramdirectie bedankte echter vriendelijk voor de moeite en ging niet op het aanbod in.
Toch liet men het idee niet helemaal los. In hetzelfde jaar nog verscheen een eigen ontwerp dat in tegenstelling tot het model van Werkspoor was ingericht voor passagierscirculatie met zittende conducteur. In een brief van 18 mei 1931 aan de Wethouder van Gemeentebedrijven stelde de directie van de GTA dat er vijftig van dergelijke dubbeldekkers nodig waren om de tramtreinen op de lijnen 1 en 2 te kunnen vervangen. De aanschafkosten werden begroot op fl. 1.750.000,-. Te duur, vond men, zuinig als altijd.

Gedurende de eerstvolgende jaren zagen, mede door de economische crisis, geen nieuwe plannen het licht. Toen echter vanaf 1937 meerdere series nieuwe Kromhoutbussen instroomden en een groot succes bleken achtte men de tijd rijp voor een rigoureuze oplossing voor het Leidsestraatprobleem. Bussen voegen zich soepel in het verkeer en nemen geen extra ruimte in beslag. Het vervangen van de tramdienst door een frequente busdienst met bussen met een grote capaciteit zou de oplossing kunnen zijn.

In 1939 verleende het gemeentebestuur, na veel overleg met de GTA, dit bedrijf toch de toestemming om bij wijze van proef twee bussen aan te schaffen met een grotere lengte dan de toenmaals maximaal toegestane 9 meter. Ze waren voorzien van een enkele instapdeur en twee dubbele in- en uitstapdeuren. De wagens, die de nummers 54 en 55 zouden krijgen, werden in het begin van 1940 besteld bij Kromhout en Verheul. De oorlog stak echter een spaak in het wiel en de wagens werden uiteindelijk pas in 1943 geleverd. Het plan was toen reeds lang in de ijskast verdwenen, omdat men door de oorlog wel andere zaken aan het hoofd had. Van de geleverde bussen werd de 55 direct door de bezetter gevorderd. De 54 dook onder en heeft na de oorlog nog tot 1962 dienst gedaan en zelfs een verbouwing ondergaan tot driedeursbus.

Inmiddels werd in het oorlogsjaar 1944 in het diepste geheim geknutseld aan een nieuw ontwerp voor een Leidsestraattram. Het betrof, in navolging van de dubbeldekker uit de jaren dertig, een eenrichtingwagen met zittende conducteur en passagierscirculatie. Er werd een zestal schetsen vervaardigd, met twee mogelijkheden ten aanzien van de radstand, namelijk 3200 mm(radstand "blauwe wagens" en "Utrechtenaren") en de voor Amsterdam ongebruikelijke 2500 mm.
Het proefmodel dat uiteindelijk werd gerealiseerd had een radstand van 3200 mm en was geplaatst op de truck van "blauwe wagen" 443. Het was voorzien van dubbele in- en uitstapdeuren en telde, bij het opklappen van enkele bankjes, maximaal 28 zitplaatsen en
36 staanplaatsen. De lengte kwam overeen met die van de Unions. De wagen had aan de blinde zijde zeven grote en twee kleine ramen en aan de instapzijde drie grote en twee kleine ramen.

Op 2 oktober 1945 werd met dit nummerloze en gezien de kwaliteit van de opbouw nogal kwetsbare voertuig vanuit de Centrale Werkplaats een proefrit door de Leidsestraat gemaakt, via de lus Bilderdijkstraat, Overtoom, Leidseplein, Nieuwe Zijds Voorburgwal, Raadhuisstraat en Rozengracht. Het is bij deze ene rit gebleven. Na verloop van tijd werd het bouwsel, uiteraard ontdaan van zijn truck, op een lorrie gezet en opgeborgen in de remise Nieuwe Achtergracht.

In 1954 werd de wagenbak op het terrein van de remise Nieuwe Achtergracht gesloopt.

Wagennr.  In Dienst Op Lijn Bouwjaar Laatste inzet Op Lijn    Afvoer op Afvoer naar
    ---  02-10-1945 proefrit     1944  02-10-1945 proefrit       -     -1954 gesloopt op het terrein remise Nieuwe Achtergracht









                 






Traminfo.nl © 2003-2015 | Contact  | Colofon | Disclaimer | Links