GVB 12, Planciusstraat, april 1903
Foto: Gemeentetram Amsterdam

Home > Tram > Electrische tram > Serie > Serie 2 (11-12)

Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam - Serie 11-12

Serie:
11-12
Type: Elektrisch Motorrijtuig
Bouwjaar: 1900
Fabrikant wagenbak:
        Wagonfabrik Carl Weyer & Cie., Düsseldorf(Deutschland)
Elektrische uitrusting:
        Siemens & Halske, Berlin(Deutschland)
Motortype: 2x S&H - D39
Motorvermogen: 2x 20 pk(= 14,5 kW)
Lengte:
9000 mm(met stootbeugels)
Lengte Wagenbak:
5200 mm(zonder balcons)
Lengte Balkons:
1900 mm
Breedte:

Hoogte:
3300 mm
Radstand:
1800 mm
Wieldiameter:
840 mm
Gewicht:

Aanschafprijs:
fl. 7676,-
Passagiersindeling:
20-14




Ten behoeve van een nieuw te openen elektrische tramlijn in Amsterdam, van het Leidscheplein naar de Marnixstraat(tot de brug Brouwersgracht), werden bij Werkspoor een serie van 10 elektirsche motorrijtuigen besteld, die in het serieblad 101 worden behandeld. Tevens werden bij Siemens & Halske een tweetal motorwagens besteld, die in dit serieblad worden behandeld.
De motorwagens 11 en 12 arriveerden iets later dan de 10 Werkspoor-wagens 1-10 en kwamen in oktober 1900 in Amsterdam aan.
Ook deze wagens waren voorzien van een trolleystang. Ze hadden langsbanken, waarop 2 x 5 passagiers per wagenzijde konden plaatsnemen en verder was er nog plaats voor 14 staande passagiers(6 op het voorbalkon en 8 op het achterbalkon). De trams waren voorzien van open balcons en de 2 grote zijruiten aan de zijkanten liepen aan de bovenzijde in een boog in tegenstelling tot de rechte ramen van de serie 1-10.

Vanwege hun geringe snelheid kregen de wagens al gauw de bijnaam "Opa en Oma" of "Opoe en Opa".

Door de vele bruggen die Amsterdam rijk is, waren er vele lijnonderbrekers nodig. Daar het wieltje van de trolleystang dan niet altijd het juiste spoor op de draad kon volgen, gebeurde het vele malen dat de trolley ontspoorde. Men zocht dan ook spoedig naar een betere oplossing welke gevonden werd in een sleepbeugel. Bij raadsbesluit van 22-01-1902 werd besloten over te gaan op beugelexploitatie, waarmee op 28-08-1902 de bekende sleepzwaaibeugels hun intrede deden. In 1902/1903 werden de trolleystangen vervangen.

In juli 1903 werd het lijnnummersysteem in Amsterdam ingevoerd, waarbij de wagens in de sleepbeugel een houder kregen, waarin het lijnnummer van die dag werd geschoven.

In 1907 kregen de wagens nieuwe motoren van SSW(Siemens Schuckert Werke in Berlin(Deutschland)) met 20 pk.

In 1910 werden ze voorzien van dichte balcons door middel van het aanbrengen van een houten glaspui op de balconschotten. De dienstwagenbordjes, die tot die tijd aan de dakrand boven de open balcons zaten, verplaatsten zich toen naar een plek achter het linker voorruit en de rechter achterruit.

In 1911 werden de wagens voorzien van een schuine rand op de stootrand, waardoor het daarop meerijden van de jeugd vrijwel onmogelijk werd.

In de jaren "10 werden de wagens, die in eerste instantie als afscheiding tegen de koude van zeildoeken wren voorzien, voorzien van balkondeuren.

Rond 1920 werd op het balcon ten bate van de bestuurder een zitzadel aangebracht.

Nadat in 1922 in Amsterdam de éénmansbediening(EMW) werd ingevoerd op lijn 22, werd besloten om vanaf 1923 in totaal 100 motorwagens hiertoe om te bouwen voor de dienst op een aantal daartoe aangewezen tramlijnen, die op éénmansbediening zouden overgaan. Een project dat in grote lijnen in 1926 gereed kwam. Ook motorwagen 11 en 12 werden aangewezen om te worden omgebouwd tot éénmanwagen en in 1925 als zodanig verbouwd. Hiertoe werden op de tram aan de zijkanten de tekst E.M.W.(2 stuks per zijde) geplaatst en op de koppen een witte balk met de tekst "éénmanswagen" aangebracht. De passagiers dienden nu voor bij de bestuurder in te stappen en achter uit te stappen door elektro-mechanische deuren. De EMW-wagens reden op de lijnen 4(4A en 4W), 7, 12(alleen op zondagen), 15 en 17 t/m 22. Omdat men op een aantal lijnen al spoedig met één motorwagen de reizigersstroom kon verwerken, haakte men er ook een aanhangwagen achter. Hiertoe werden 57 bijwagens met een bijwagen-signaal uitgerust. Dit elektrische signaal werd door de bijwagen-conducteur gegeven aan de bestuurder, waar aldaar dan een groen lampje ging branden. In de motorwagens werden stopknopjes aangebracht met rode lampjes.

Verdere bezuinigingen bij de Gemeentetram betekende de invoering van het overstapkaartje en reducering van het lijnennet, waarbij een aantal onrendabele lijnen, deels de EMW-lijnen, per 01-01-1932 werden opgeheven. Tevens werd het éénmanswagen-project gestaakt. Alleen lijn 20 reed nog in ingekorte vorm tot in juni 1932 als EMW-lijn rond én de lijnen 18 en 22 zouden nog tot in 1950 resp. 1944 als EMW-lijnen blijven rijden.

De beëindiging van de EMW-inzet per 01-01-1932 betekende tevens het einde van de inzet van Opoe en Opa en de wagens werden buiten dienst gesteld.

In 1937 werden de beide wagens afgevoerd voor sloop.

Laatste inzet
Wagennr.   Aflevering    In Dienst Op Lijn Buiten Dienst     op lijn    Afvoer op Afvoer naar
      11      -10-1900      -10-1900     10  01-01-1932             -    -1937 sloperij
      12      -10-1900      -10-1900     10  01-01-1932             -    -1937 sloperij









                 






Traminfo.nl © 2003-2015 | Contact  | Colofon | Disclaimer | Links